Op een dag kwam er bij ons een radio in huis, of misschien was hij er al een poosje maar ik merkte hem toen pas op. Achter het overgordijn in de achterkamer was een plankje en daar stond hij op.
Het was een zwart bakelieten kastje met een beige katoenen voorkant.
Naast het boordje hingen twee chocoladebruine draden met aan de uiteinden een klein stekkertje. Deze stekkertjes moesten als je wilde luisteren in koperen staafjes met een gaatje geprikt worden.
Meestal hingen ze echter los, de radio stond niet zo vaak aan.
Na het eten werd er een hoofdstuk uit de bijbel gelezen en om te zien of ik ook oplette moest ik als mijn vader stopte het ‘laatste’ woord’ zeggen.
Daarna begon de ceremonie, ik schoof het gordijn wat opzij en kreeg de opdracht:
‘Zet hem ‘s op één!’ Mijn wat dove vader keek vanaf dat moment scherp naar het toestel alsof hij het daardoor beter zou verstaan. Wij kletsten nogal veel en luidruchtig na het lange bijbellezen maar na enkele minuten riep hij:
‘Tilte!’
Er klonken dan drie harde tikken en de omroepster zei:
‘Bij het derde tikje is het precies half een.
Mijn vader controleerde zijn horloge, en zei steevast:
‘Dat lieg je!’
Dan wat geruis en…
‘Dit zijn de mededelingen voor land- en tuinbouw.’
Eerst kwam de weersverwachting, daarna de prijzen van landbouwproducten op de veiling van die morgen.
De komst van valse meeldauw of de Coloradokever werd soms voorspeld, en daarna volgden de waterstanden.
Die werden op een ernstige toon, bijna plechtig voorgedragen:
‘Lobith… min 33, Pannerden… plus 18, Grave beneden de sluis… gestremd.’
En tot slot hoorden we de mínst gepeilde waterdiepten.
Onbegrijpelijke taal, maar ik kan het hele rijtje nog opdreunen.
Als er een plaag voor de gewassen werd aangekondigd kwam mijn vader direct in actie, er moest beslist worden wie er wát kwam uitroeien.
Er werd in die tijd veelvuldig gesproeid voor alles wat niet in voedsel thuishoorde.
Dat is waarschijnlijk de reden dat ik nog nooit een Coloradokever gezien heb. Als mijn vader met een twinkeling in zijn ogen zei:
‘Vanmiddag komt het sproeivliegtuig,’ dan spijbelden we van school. Achterop bij een broer of zus reden we soms vier of vijf kilometer op de fiets om dat spektakel te zien. De piloten wilden indruk maken en dat deden ze, het was precies zoals in de Donald Duck.
Ze scheerden laag over de velden en aan het eind vlogen ze bijna recht omhoog. Na het draaien dóken ze weer naar beneden. Op de dijk stonden overal mensen te kijken naar het spektakel. Een enkele waaghals vloog wel eens onder de laaghangende telefoondraden door. Wij joelden van spanning en lagen soms bijna in de sproeibaan die het vliegtuig maakte. Maar daar maakte toen niemand zich druk om.
Waren er geen rampzalige plagen in aantocht dan kon mijn vader even rust nemen. Precies vijftien minuten lang sliep hij muurvast, met zijn voorhoofd op het tafelzeiltje, terwijl wij de vaat deden. Tien voor een werd hij uit zichzelf wakker en kleedde zich weer om voor een middag hard werken op het land.
Toen ik de radio eenmaal ontdekt had was ik er niet vandaan te slaan.
In een brutale bui klikte ik de radio wel eens ‘zomaar’ aan, op zoek naar een vrolijk programma.
Paulus de boskabouter was toegestaan, maar bij andere programma’s keek hij me zo streng aan dat ik ongevraagd stopte.
Op zondagmiddag aten we een half uurtje later omdat de oudsten na kerktijd op de koffie kwamen. Er waren dan geen mededelingen voor land- en tuinbouw maar om een uur meester GBJ Hilterman. Het ging altijd over De oorlog in het Midden – Oosten, het Rode gevaar dat op de loer lag en de Koningin ging heel vaak naar de Gemenebest. Er werden ook bovengrondse kernproeven gedaan, heel ver weg, maar iedereen wist hoe gevaarlijk het was, de straling zou op de duur alle leven op aarde vernietigen.
Ook dat nieuws volgde mijn vader op de voet waarbij hij zeer somber keek. Ik was daardoor vaak bang voor oorlog en vooral voor ‘de Russen.’ Die zouden de vrouwen eerst verkrachten en daarna de keel afsnijden. En dan de Chinezen!
Daar had eigenlijk niemand erg in, maar mijn vader wél hoor! Dat was het Géle gevaar. Die waren nóg erger. Daar waren de Russen nog lieverdjes bij! Dus daar durfde ik al helemaal niet aan te denken. Er was maar een uitweg, God. Hij alleen kon je beschermen en bewaren voor het kwade. Dus avonds in bed bad ik:
‘Ik ga slapen, ik ben moe en… ‘Lieve God laat er geen atoombom op Nederland vallen en laat de Russen asjeblieft niet komen.’
Toen we allemaal meerdere keren een flinke schok hadden gekregen omdat het bruine rubber van de draadjes was gesleten kregen we een echte radio.
Deze was zo groot dat er een flinke kast bij moest komen in de achterkamer.
De buitenkant was van hoogglans wortelnoot, rondom zat een rand met een koperen ribbeltje. Het grootste deel van de voorkant was van beige linnen, met in het midden een groot groen oog en onderaan een rij met acht witte drukknoppen . Mijn broers riepen zeer melig in de opwarmtijd:
‘Hallo, hallo, hallo, hier is het mannetje van de radio.’
Mijn vader gebruikte de radio alleen voor de landbouwberichten en het nieuws, meer zinnigs kwam er niet uit volgens hem. Na de weersverwachtingen ging de radio dan ook met een definitieve klik uit.
Zonder dat daarover iets was afgesproken wisten wij dat hij dat ook van ons verwachtte.
Helaas voor hem voldeden we niet altijd aan zijn verwachtigen, en langzaamaan verloor hij de onbesproken strijd.
Mijn moeder was oorspronkelijk van een wat ‘lichtere’ kerk en luisterde graag naar de radio. ’s Morgens onder het werk naar de Arbeidsvitaminen, en ’s avonds genoten we van Mastklimmen, de familie Doorsnee of Paul Vlaanderen.
Mijn vader las intussen een ‘goed’ boek en kon soms niet verbergen dat hij tóch glimlachte om de luidruchtige humor van de familie Doorsnee.
Ooltgensplaat, Corrie Huijer den Braber december 2006
 |