Een uurtje in de zon
Van het afgelopen mooie voorjaar heb ik nauwelijks kunnen genieten. Een forse verbouwing en daarna, voor het eerst in jaren, een grote schoonmaak van het hele huis slorpten al mijn tijd op. Oude wat verlopen vriendschappen moesten ook nodig uit het slop worden getrokken. We kregen nauwelijks bezoek meer, en we wilden bij een onverwacht overlijden toch ook wat mensen achter onze baar. Twee maanden lang stond ik elk weekend lekkere hapjes te maken, want die visite kwám en allemaal met een lege maag. Heel de zomer verheugde ik me op wat zonnige, niet al te warme dagen. Buiten zitten met een kop koffie leek me plotseling het toppunt van genieten. Maar die dagen lieten lang op zich wachten.
Ik maakte in het begin ook wilde plannen voor de zeeën van lege tijd die voor me lagen. Uitslapen, regelmatig schoonmaken, wandelen, veel vrienden over de vloer en een boek schrijven.
De eerste twee bezigheden leverden geen enkel probleem op. Maar van de rest kwam weinig terecht. Het uitslapen moest al na enkele weken geschrapt worden om de laatste drie óók te verwezenlijken. Kortom, nu ik niet meer werk zijn de dagen nog steeds te kort om alles te doen wat ik wil. Schrijven lukt aardig, al vormen heel veel woorden nog steeds geen boek.
Eindelijk! Na twee maanden regen en wind is het weer zonnig genoeg om in de tuin te zitten. Een luxe waar ik normaal altijd wat moeite mee heb. Het is meestal een vermoeiende bezigheid. Maar dit keer zal ik er toch wel van genieten? Het wachten duurde zó lang! De stoel en de tafel sleep ik in de juiste positie, uit de wind, in de zon.
Als ik nog geen tien minuten zit, krijg ik trek in koffie. Daarna moet ik nodig plassen. Als ik nog maar net zit met de beker koffie naast me, ontdek ik dat mijn sigaretten op zijn. Na enkele minuten wikken en wegen besluit ik tóch maar nieuwe te gaan kopen bij de super. Als ik na een minuut of tien weer zit, neem ik met welbehagen een trekje, maar as op de grond gooien druist tegen mijn gewoonte in en ik strompel grommend om een asbak. De bel gaat twee keer binnen een kwartier. Een scharensliep en een bezorgdienst met een pakketje voor de buren. De telefoon rinkelt hinderlijk, tot een paar seconden vóór ik hem oppak. Mijn koffie is intussen ondrinkbaar geworden, ik zet even nieuw. Het wordt warmer dan ik dacht, dus ik sleep de loodzware parasol naar mijn stoel. Genietend zak ik achterover en sluit mijn ogen. Na een paar minuten het wordt het wat bewolkt, de temperatuur zakt gelijk naar ‘bijna te fris.’ Dan moet ik de parasol maar weer dichtdraaien.
Mijn vest hangt boven, even overweeg ik het aan te trekken, maar ik zie er tegenop om de trap op te lopen.
Ondanks mijn luxe stoelen en kussens krijg ik al gauw een zere kont. Als ik een poosje verplicht heb zitten genieten, geef ik aan mezelf toe dat ik me te pletter verveel.
Wat nu. Een boek dan maar. Dat is snel gevonden, ik loop veertig jaar achter met lezen. He, he, nu begint het echte genieten. Ik lees echter, zonder iets in me op te nemen. De bladzijden schitteren onverdraaglijk wit in het nu weer stralende zonlicht.
Ook nadat ik de parasol opnieuw opengedraaid heb, is het licht te fel. Daar moet een zonnebril aan te pas komen. Helaas heb ik er geen op ‘sterkte’ maar ergens in huis heb ik een opzetbrilletje. Het hele, zo opgeruimde huis moet ik overhoop halen. Maar nergens is dat pokkenbrilletje te vinden. Als ik het uiteindelijk uit het dashboardkastje van de auto vis, zijn er dikke grijze wolken voor de zon geschoven. Toch maar om dat vest boven. Maar het is al te laat. De bladzijden van mijn opengeslagen boek zijn omgewaaid. Nog even blader ik moedeloos naar de pagina waar ik gebleven was. Helaas, onbegonnen werk. Het is intussen te koud geworden ook. Ik ga maar wat nuttigs doen. Een mens kan in dit kikkerland ook nooit eens genieten van meer dan een uurtje zon.
Corrie Huijer Ooltgensplaat, zomer 2007
 |