De leukste site van Goeree Overflakkee
Verhalen, Gedichten, Blog
Home
Gedichten
Verhalen
Uit de krant G.G.O
Zeuren?
Blog
De radio
Een Frans toilet
Een uurtje in de zon
Voor de bakker
Geuren van vroeger
Voor de bakker
Voor de bakker
 
In elk dorp waren vijftig jaar geleden wel vijf of zes bakkers, ze hadden hun winkels vaak op de Voorstraat of Molendijk.
Ondanks dat ze dicht bij elkaar zaten kreeg ik nooit de indruk dat er sprake was van zware concurrentie.
De laatst bijgekomen bakker in Ooltgensplaat (vd Doel) heette tot dat hij ruim 30 jaar later de winkel weer sloot ‘den Nieuwen bakker’.
 
De mensen aten natuurlijk veel meer brood dan nu, en ze gingen nooit het dorp uit om ergens anders iets te kopen.
Wij waren toen nog met z’n achten en aten drie en een half brood per dag. Elke dag om kwart voor twaalf ging ik die halen bij Hansie de Ruiter.
Op zaterdag haalde ik er zes, een zak eierkoeken en een casinowit. Dat vonden ze thuis geen echt brood, maar een soort traktatie met boter, hagelslag of basterdsuiker.
 
De Ruiter had een huishoudster Neel, even aardig als haar baas Hansie. Vaak kwam ze in de winkel kijken wie er was en maakte een praatje.
Als je de broden in de tas had gewurmd kreeg je een Witte Brok, een snoepje dat niemand ooit heeft kunnen namaken. Jammer genoeg niet want het was heel bijzonder. Mensen kwamen van ver om ze te kopen, en wilde je iemand een aardigheidje geven dan koos je voor een zakje Witte Brokken.
Het geheime recept is mét Hansie de Ruiter helaas verdwenen uit Ooltgensplaat.
 
In die jaren was ik mager, (echt waar!) altijd ziekelijk en een heel slechte eter. Om me wat extra te laten eten mocht ik elke middag een eierkoek nemen bij het brood halen.
De aankopen werden de hele week genoteerd in een opschrijfboek en op zaterdag betaalde men alles tegelijk.
Zeker drie maanden lang at ik elke dag een eierkoek, toen kwamen ze me, mijn neus en oren uit. Het was zomer en ik kreeg een goed idee; alleen Hansie de Ruiter moest wel meewerken. De eierkoek koste vijf cent en een schepijsje bij bakkerij Wessels, aan de overkant van de straat ook.
Ik legde mijn probleem voor, en Hansie zag er de humor van in.
Hij betaalde me elke dag vijf cent uit en schreef een eierkoek op het lijstje.
Zo kwam hij er niets aan ‘te kort’.
Met de stuiver stak ik over en kocht bij zijn concurrent een schepijsje.
Ook dat ging maanden goed, totdat Wessels zich versprak. Op een warme zaterdagavond liepen we een rondje om het dorp. Als verrassing kreeg ik een schepijsje. Bakker Wessel begroette me luidruchtig. Hééé! Bén je er weer? Toen mijn moeder wat verbaasd naar hem keek zei hij: Ja, die komt hier elke dag natuurlijk. Het ijsje mocht ik niet meer opeten, een klap voor mijn harses kreeg ik, en direct naar bed.
 
Bij beide bakkers moest ik mijn verontschuldigingen aanbieden maar ze moesten allebei hun best doen om niet te lachen.
Hansie de Ruiter heeft het voor me opgenomen en bezwoer mijn moeder dat in ijs dezelfde voedingsstoffen zaten dan in een eierkoek. Dus zó erg was het nu ook weer niet.
Hansie de Ruiter zei ook nog: dat ik later vast een goede handelaar zou worden, maar het ijsfeestje was wel over. Toen ik schuldbewust weer naast mijn moeder naar huis liep zag ik ook haar een beetje lachen.
Opgelucht begreep ik dat er zoals gewoonlijk alleen een taakstraf opgelegd zou worden.
Ik moest een week lang extra karweitjes doen en mocht ook niet buiten spelen.

Corrie Huijer Ooltgensplaat 2006