Twee stukjes uit Druiloor en Dikker 2
(nog niet uitgegeven)
Dieven aan boord
.........Ze slenteren door de straatjes van de stad. Hier is het heel anders dan in Amerika. De huizen zijn van hout en hebben vrolijke kleuren. Het is voor Wendy en de kapitein een hele klim. De straatjes zijn stijl, maar de konijntjes rennen omhoog en omlaag. Ze zijn het gewend in de duinen. Als Wendy moe wordt gaan ze een ijsje kopen. Een poosje zitten ze op een terrasje. De winkeltjes zijn nog open. Er hangen mooie sjaaltjes. Maar die heeft mama al. Er zijn ook gebreide truien. Maar die zijn veel te groot. De konijntjes kopen parfum voor mama. En een beeldje van de vuurtoren voor papa. Dan zien ze een scheepje in een fles. Ademloos staan ze te kijken. Wat mooi! Dat kopen ze voor de kapitein. Daarna is het hoog tijd om terug te gaan.
Op de kade staan een heleboel mensen. Ze praten druk door elkaar, maar niemand kan het verstaan. De kapitein grapt:
‘Zouden er weer mensen van de televisie zijn?’ Maar het zijn dit keer geen mensen van de televisie. Het zijn mensen van de politie. Ook zijn er een paar gasten bij. Ze staan te wachten op de kapitein. Een van de gasten roept:
‘Er zijn inbrekers op het schip geweest. Ik ben bestolen.
Er komen steeds meer gasten terug uit de stad. Iedereen komt er bij staan. Het is een hele drukte op de kade. Nieuwsgierig luisteren ze naar het verhaal. Een man vertelt hoe hij de diefstal ontdekte:
‘Toen ik hier terugkwam ben ik in bad gegaan. Ik was moe van het wandelen. Daarna wilde ik schone sokken aantrekken. Toen ontdekte ik de diefstal. Er was een sok verdwenen, en nog meer. Een mooi antiek wapen. Een pistool van wel honderd jaar oud. Het was heel kostbaar. De konijntjes blijven stokstijf staan. Schone sokken? Een pistool?Ze worden bleek om hun neusje van schrik. Het is ontdekt. Het zal niet lang meer duren, dan komt alles uit. Dan zal de kapitein hen straffen. Hij zal hen wel naar huis sturen. Misschien moeten ze wel naar de gevangenis. Nooit meer zullen ze met Wendy mogen spelen. Ze bibberen van ellende. Kwibus weet van niets. Gelukkig maar. Hij luistert naar de mensen en roept af en toe:
‘Kgwááok…, kgwááok…, het ís toch wat! Kgwááok…, dieven op het schip! We moeten ze vangen. Dan, kgwááok…, moeten ze kgwááok…, in de gevangenis.
De konijntjes zeggen geen woord meer. Ze wachten angstig op wat er gaat gebeuren. De kapitein verstaat de politiemensen wel. Hij praat een hele poos met hen. Daarna gaan ze naar de hut van de gast. De politie gaat ook op het schip. Ze gaan alles onderzoeken. Langzaam wordt het weer rustig op de kade. De gasten gaan een voor een aan boord. Helemaal achteraan sjokken de konijntjes. Maar, niemand kijkt naar hen om. De mensen hebben het veel te druk. Ze praten alleen maar over de diefstal. Ze zijn bang dat hun spulletjes ook gestolen zijn. Iedereen gaat in zijn hut kijken. Wendy kletst maar door. Over de sok, over het pistool. Over de dieven, over het cadeautje. Maar de konijntjes zeggen niets. Ze hebben maagpijn van de zenuwen.
Op de berg
....... ‘Laten we spelletjes gaan doen, of verhaaltjes vertellen.’ Dan duurt het wachten niet zo lang. Misschien moeten we hier wel een paar uur blijven.’ De kapitein zegt niets. Hij weet dat het veel langer zal duren. Misschien wel de hele nacht. Strakjes is het aardedonker. En de sneeuwvlokken worden steeds groter. Er gaat een heel dik pak sneeuw vallen. Misschien wel een meter. Dat kan gemakkelijk in de bergen. En als het donker is, kunnen ze ook niet terug.
Kwibus begint met vertellen. Over het meertje en zijn familie. Zijn familie woont overal heen. In elke sloot woont wel een zus of een oom. Kikkers verhuizen graag. Hij vertelt dat ze in de winter heel lang slapen. Op de bodem van het meertje. Bijna vier maanden aan een stuk. Lekker warm in de modder. Ze moeten er om lachen. Lekker warm? In de modder? Brrr…, brrr… Wat koud.
De konijntjes vertellen aan de kapitein over het vliegeren. En over het schaatsen. Ook hun familie woont ver weg. Ze hebben een oom en tante in Limburg. De tijd vliegt voorbij. Het is gewoon gezellig met het vuurtje en de kaars. Na de verhalen gaan ze slapen. Morgen gaan ze weer naar beneden. Met de bus. Door de raampjes kunnen ze niets meer zien. Even denken ze nog aan het schip, en aan papa en mama. Maar na een poosje zijn ze allemaal in dromenland.
Druiloor is het eerst wakker. Hij rekt zich eens lekker uit. Zo, strakjes wandelen ze weer naar de kavelbaan. En dan stappen ze weer in de bus. Die brengt hen weer veilig bij het schip. Dan knippert hij met zijn oogjes. Het is toch dag? Waar is de zon dan? Het is nog steeds donker in de hut. Zachtjes duwt hij tegen Dikker’s arm. Die slaapt nog heerlijk.
‘Laat me los, mompelt Dikker, ik wil slapen.’ Maar dan gaan langzaam zijn oogjes open. ‘Waarom maak je me wakker? Het is nog nacht.’ Wendy, Kwibus en de kapitein worden ook wakker. Jetje en Jeroen slapen gewoon door. De slaapkoppen! De kapitein steekt het kaarsje weer aan. Fijn, nu kunnen ze weer wat zien. Het is niet helemaal donker, maar ze zien alleen sneeuw. De kapitein doet de deur een stukje open. Maar ook dan is er alleen sneeuw. Geen licht, geen zonnetje. De sneeuw ligt metershoog. Ze kunnen niet naar buiten. De sneeuw is door de wind helemaal tegen de hut gewaaid. Ze schrikken ervan. Nu kunnen ze niet naar de bus toe. En ook niet naar het schip terug. Hoe moet het nu verder?
‘We moeten een gat graven,’ zegt de kapitein. ‘Een groot gat, naar buiten waar we doorheen kunnen. Als er dan redders komen, kunnen ze ons zien. Er ligt een schep in de kast. Ik zal beginnen met graven.’ Maar het gaat erg langzaam, er is zoveel sneeuw! Na een uurtje is er nóg geen blauwe lucht te zien. De hut ligt aan één kant vol met sneeuw. Dan komen Jeroen, Druiloor en Dikker in actie.
‘Ga maar eens opzij kapitein. Dan zullen wij het gat graven.’ Met z’n drieën beginnen ze te graven. De sneeuw vliegt door de hut. Maar het gaat veel vlugger dan met de schep. Pas na een hele poos komen ze buiten, boven op de sneeuw. Maar o, wee, er is niets te zien. De hele wereld is wit. Zover hun oogjes kunnen kijken! ........
--- === ---
Enkele fragmenten uit: Druiloor en Dikker 1
Geschikt voor kinderen van 4-8 jaar
31 spannende en soms ontroerende (vervolg) verhalen over 2 konijntjes en hun familie die bevriend raken met mensen. Ze beleven allerlei avonturen en belanden zelfs in Amerika
In het bos
......Er liggen dennen- appeltjes en eikeltjes op de grond. En er groeien planten met lange takken die in de boom klimmen. Het is er bijna donker en erg stil. Zelfs de wind kan je hier niet horen. De bladeren van de hoge bomen dekken de hemel bijna af. Er kan nauwelijks zonlicht door de kleine gaatjes schijnen. De zusjes blijven vlak bij de jongens.
‘Bbben jij bang?’vraagt Druiloor,
‘Nnnatuurlijk niet!’ zegt Dikker, maar ze blijven doodstil op hun achterpootjes zitten. Er bromt in de verte een bromfiets voorbij. Als het weer helemaal stil is willen ze nog een klein stukje verder gaan. Doortje en Dientje durven niet zo goed. Maar de jongens zeggen dat het wel kan. Kgwááok, klinkt het vlak naast hen. Ze vallen om van schrik en rollen door het zachte gras. Bijna in een grote modderplas.
‘Wwwat ís dddat?’ fluistert Druiloor zachtjes.
’Ikkk wwweet het niet’ fluistert Dikker zenuwachtig terug.
‘Ik wil naar huis piept Doortje zenuwachtig.’ Dientje is achter een boom gekropen.
‘Kgwááok,’ klinkt het nog dichterbij, ‘ik ben Kwibus, Kwibus de kikker.’
Ze zien een raar groen beestje met zwarte vlekjes. Het heeft de grootste ogen die ze ooit gezien hebben. Een beetje angstig doen ze een paar stapjes achteruit. Maar met één sprong zit Kwibus weer vlak naast hen......
Parachutespringen
.....‘Nu gaan we boven op een duin staan en springen er vanaf,’ zegt Dikker. Zo gezegd, zo gedaan. Ze zoeken een plekje waar het duin een steile kant heeft. Dikker springt als eerste. De parachute gaat maar nauwelijks open. Hij komt hard op zijn billen in het zand terecht. Daarna springt Druiloor, maar ook hij valt na zijn sprong zó in het zand.
‘Dat lukt niet zo goed’ zegt Dikker, ‘er moet wind in de parachute komen.’ Hij heeft heel goed opgelet bij het voorlezen.
‘Op het heel hoge duin vlak bij de zee gaat het vast beter,’ zegt hij. Daar zijn ze al vlakbij. Zo vlug ze kunnen, rennen ze er naartoe. Op het hoge duin waait het veel harder. Het heeft ook een erg steile kant waar ze af kunnen springen. Om de beurt maken ze een sprong. Soms zweven ze wel een paar meter door de lucht. Ze dansen van blijdschap als ze weer een stukje verder komen. Langzaamaan betrekt de lucht en het gaat ook harder waaien. Maar de broertjes merken er niets van. Ze hebben het veel te druk. Totdat Druiloor weer aan de beurt is. Hij komt niet een paar méter verder! Hij blijft zweven en zweven en zweven. Dikker lijkt maar een klein stipje meer op dat grote duin. Hij gilt van angst! Het grote strand is heel diep onder hem. De zee met grote witte schuimkoppen op de golven is al vlakbij! Dan laat hij de touwen los en valt. Met een harde klap raakt hij het zand...

 |