|
Al op heel jonge leeftijd kon ik mateloos genieten van foto’s uit Zwitserland. Elk jaar werd mijn collectie aangevuld door een ongetrouwde zus, een echte Zwitserlandfreak. Op zeven of achtjarige leeftijd nam ik me voor om later, getrouwd of ongetrouwd ook naar die bergen te gaan. Die machtige toppen met eeuwige sneeuw, die watervallen en diepe ravijnen, ik kon ze niet plaatsen. Kun je daar gewoon rechtop lopen? Wonen er mensen op zo’n steile helling? Wat doe je als er een wolk op de weg komt? Deze en nog veel meer vragen stelde ik mijn zus, als ze weer thuiskwam.
Mijn eerste vakanties als getrouwde vrouw bracht ik door in Limburg, zeker niet slecht, maar er was natuurlijk geen eeuwige sneeuw op de heuvels. We genoten er met volle teugen, maar elke dag probeerde ik vanaf een hoge top nog verder te kijken. Misschien kon ik daarvandaan hogere bergen zien. Mijn man bekeek me soms meewarig, hier waren toch heuvels? Hij begreep mijn verlangen niet. Na enkele jaren durfden we, na een bezoekje van enkele dagen bij familie, wel met een tent naar Luxemburg. De heuvels waren alweer hoger, maar ook daar vond ik geen witte pieken in de zomer.
Het campingleven was zeker niet onaardig, mede dankzij het vaak mooie weer. Maar de douches en toiletten vielen me erg tegen. Om bij de toiletten te komen moesten we ongeveer 300 meter lopen. De deuren en muurtjes stopten op. ooghoogte, en vanonder zat er ook veel ruimte. Poepen was daar voor mij onmogelijk ontdekte ik. Thuis mag er niemand door de gang lopen als ik op het toilet zit. Hier liep de hele campingbevolking in en uit. Zelfs midden in de nacht, als ik er ongezien met mijn rol naar toe probeerde te sluipen, was het een drukte van belang. Aan alle kanten hoorde ik gekreun en geplons. Bij mij gebeurde er juist daarom alweer niets! Laxeermiddelen die ik veelvuldig slikte hielpen ook niet, en ik zwol elke zomer op als een gasballon met buikpijn. Verder beviel het ons heel goed, de kinderen hadden er al gauw vrienden en genoten er van de spelletjes en de kampvuren. We hadden vaak gezellige buren en zaten tot diep in de nacht buiten. De droom van bergen met eeuwige sneeuw bleef echter door mijn hoofd spoken.
Het derde jaar zag ik op een wegenkaart dat de Franse alpen niet eens zo gek ver weg waren. Daar zou, ook volgens Jan, nu nog wel sneeuw liggen. We reden op de ochtend van 14 juli om negen uur nog vol goede moed de camping af, richting bergen!
Er was geen vierbaansweg in de buurt, maar het was nog vroeg en prachtig weer, dan maar over de binnenweggetjes. We hadden tijd genoeg, maar al gauw kwam de eerste tegenslag, een tolweg. Toen pas bedachten we dat we alleen wat Hollandse munten en Luxemburgse geld bij ons hadden.
'Geen nood,' sprak Jan, 'hier is een zijweggetje, dan rijden we maar wat om. Straks gaan we in een dorpje gewoon wat Franse francs halen.' Het zijweggetje werd smaller en smaller en net toen we dachten klem te rijden konden we eraf. Bovenaan de afrit stond een tolhokje. Het had ons een klein uur gekost om bijna op dezelfde plek toch tol te moeten betalen. Gelukkig begreep de man ons probleem en hij viste wat munten uit onze portemonnee. Opgelucht reden we de iets grotere weg op, want het was intussen bijna twaalf uur. Na enkele kilometers zagen we een afslag naar een gehucht dat niet op de wegenkaart stond. Maar elk dorp heeft een postkantoor, zelfs in Frankrijk, bedachten we.
Nog niet echt gewend aan de buitenlandse middagpauzes ontdekten we dat zowel de bank als het postkantoor pas om twee uur weer open zouden gaan. Er zat niet anders op dan de meegenomen boterhammen op een bankje in de schaduw op te eten. Dat was om half één gebeurd, nog maar anderhalf uur, dan konden we naar de bergen!
Het wachten werd aangenaam verstoord door een feestelijk geschetter uit de verte.
Na enkele minuten zagen we een vijf man sterk muziekkorps in boerenkleding de straat in komen. Toen ze dichterbij kwamen bewoog er een paar keer een gordijntje, maar er kwam niemand naar buiten. Het pleintje bleef doods en leeg in de warme zon. De muzikanten waren dit zeker gewend, want ze speelden onverdroten door. Slechts even keken ze naar de vreemdelingen op het bankje die beleeft applaudisseerden.
Achter de vijf muzikanten schuifelde een zeer dikke vrouw, ze droeg een bruin gebloemd schort, waaraan ze constant haar handen afdroogde. Nu nog weten we niet zeker of het een act was, of de dorpsgekkin. Het vreemde gezelschapje liep al toeterend en trommelend verder het dorpje in. Na deze aangename afleiding was het alweer bijna één uur, we konden zó naar de bergen.
Om twee uur stonden we toch wel erg ongeduldig voor de deur van de bank, maar ook na tien minuten deed er niemand open. We lieten de bank barsten en staken over naar het postkantoor, maar ook daar heerste een doodse stilte en de deur bleef dicht. Toen we misschien wel heel hardhandig op de deur trommelden kwam er een man naar buiten uit een huisje naast het postkantoor.
Hij zag er wat stoffig en slaperig uit, precies passend bij het dorpje waar we nu al enkele uren tegen onze zin verbleven. We kenden geen woord Frans dus Jan wreef veelbetekenend met duim en wijsvinger over elkaar om duidelijk te maken dat we geld nodig hadden. In glashelder Engels zei de man:
‘Het is een feestdag in Frankrijk, alles is en blijft gesloten.’ Zeker twee minuten stonden we met open mond naar de stoffige man te staren. Alles gesloten? Feestdag? In wat voor rimboe waren we terecht gekomen? De teleurstelling die al enkele uren broeiend op de loer lag barstte in één keer naar buiten. Ik krijste:
‘Achterlijke rotfransen, wat een pokkenland, hier zou ik nog niet dood gevonden willen worden! Zie je wel, altijd wat bijzonders met die teringfransen.’ Ik stampvoette naar de auto met betraande ogen van woede terwijl Jan en de kinderen langzaam volgden.
‘We gaan naar huis,’ grauwde ik ten overvloede, en stak een sigaret op terwijl ik op de achterbank plofte. ‘Wat een rotland. Wie viert er nu feest op 14 juli? Niemand toch? Alleen Frankrijk natuurlijk! Dat doen ze om ons te pesten!’
In de ogen van mijn oudste zag ik de eerste voorzichtige pretlichtjes. Ook Jan leek niet erg in de put te zitten door alle verloren tijd. De jongste vroeg zachtjes:
‘Gaan we nu naar de sneeuwbergen?’ Eventjes wilde ik nog bozer worden maar toen kon ook ik mijn lach niet meer inhouden. We rolden door de auto en sloegen elkaar op de rug van de pret.
‘Lekker muziekkorps,’ riep de oudste. We vielen weer om van het lachen.
‘Lekker veel belangstelling,’ zei Jan, ‘wij waren de enigen!’
‘En die vrouw dan?’riep ik, ‘leefde die nog wel, of was ze opgezet?’ We gierden het weer uit.
‘Wat een achterlijk dorpje,’ brulde de oudste overmoedig, ‘ze kwamen niet eens naar buiten.’ We kropen weer van het lachen over de banken en spotten met alles wat Frans was. Alleen de jongste keek stomverbaasd om zich heen, zo’n plotselinge omslag kon hij niet verklaren. We reden hikkend en snikkend van het lachen het dorpje uit, in de richting van de Luxemburgse grens. Het werd zowaar nog een vrolijke terugtocht.
Na ongeveer twintig minuten rijden kreeg ik buikpijn, en niet zo’n beetje ook. Maar in geen velden of wegen was er een benzinestation te zien, en ook geen restaurantje. Mijn vrolijke stemming zakte weer weg toen ik bedacht hoeveel laxeerpillen ik al geslikt had de afgelopen week en tot nu toe zonder enig resultaat. En een beetje paniekerig riep ik:
‘Rij eens wat harder, bij die tolweg van vanmorgen was een benzinestation.’ Ik durfde niet te gaan verzitten en hield mijn buik met twee handen vast. Af en toe kreunde ik van de pijn. Na een klein half uurtje kwam het landweggetje weer uit bij het tolhokje en we konden het benzinestation al zien. Toen de auto nog maar nauwelijks stilstond sprong ik er al uit.
‘Parkeer maar ergens,' riep ik, ‘nú ga ik poepen.’ Zo snel ik kon rende ik naar de achterkant van het benzinestation, waar een vies bordje met een pijl naar het toilet verwees.
De verveloze deur stond open en ik keek tegen de rug van plassende mannen. Maar dat was niet het ergste, overal waar ik keek zag ik stront. Het zat aan de muren, op de vloer en ook aan de ronde klink van de enige deur in het hok. Met afgrijzen bekeek ik die klink, maar ik had geen enkele keus meer. Met mijn schouder duwde ik de deur open en stapte de schemerige ruimte in.
Bijna gleed ik in een gat waar een touw boven hing. Even keek ik kokhalzend in de diepte, de inhoud was een waterig mengsel van urine en ontlasting van honderden mensen die me al voorgingen. Het kleefde aan de wanden, het lag op de vloer om het gat heen. De stank was er niet om te harden, het kon dus allemaal nog veel erger! Even wilde ik omdraaien en wegrennen, maar mijn buik zei:
‘Nu!’ Mijn oudste was me gevolgd en probeerde me te troosten:
‘Mam ik ga voor de deur staan en zorg dat er niemand binnenkomt,’ zei hij stoer.
Een plastic zakje in mijn schoudertas bood uitkomst, dat deed ik om de hand die het gore touw moest vasthouden. Angstig hing ik boven het gat met de gedachte dat het touw elk moment kon breken, maar ik poepte. Duidelijk hoorbaar voor iedereen en niet meer gehinderd door enige schaamte liet ik de natuur z'n gang gaan. Ruim een week overdadig proeven van allerlei lekkers, aangevuld met zeker tien laxeerpillen kwam er in een keer uit. Met papieren zakdoekjes werden de ergste sporen gewist, want toiletpapier was er natuurlijk ook niet.
Mijn handen heb ik niet eens gewassen na afloop, er was bijna geen verschil tussen de wasbak en de latrine. Eenmaal terug op de camping genoot ik de rest van de week van de luxe douches en van de stralend schone toiletten. De halve deurtjes hinderden me helemaal niet meer.
Pas drie jaar later gingen we voor de eerste keer naar Zwitserland. We kwamen in een hotelletje op de helling van een hoge, besneeuwde berg. Met een uitzicht, zo mooi, dat ik het niet eens goed kan beschrijven. De kamer had een balkon en een douche met toilet. Alles was zo schoon dat je van de grond had kunnen eten. We reden over smalle wegen, met de wolken ver onder ons. We vonden boerderijtjes waar het eigenlijk niet meer mogelijk was, zo hoog. We zagen watervallen langs steile hellingen naar beneden storten. We zagen diepe ravijnen en stralend witte bergtoppen.
Alles wat ik op de ansichtkaarten gezien had was er.
Kennissen, (echte Francofielen) vragen ons wel eens waarom we nu al twintig jaar naar Zwitserland gaan, en nooit eens naar hun geliefde Frankrijk. Want het is daar zó mooi. Zó mooi! Er zijn oude gebouwen, prachtige kastelen en snoezige dorpjes. Het lijkt wel alsof de tijd er stil heeft gestaan. We moeten het toch echt eens proberen. We schudden van nee, en vertellen niemand iets over óns Franse avontuur.
Het begint zoetjesaan te slijten, al droom ik er nog wel eens over als ik buikpijn heb, maar op een vakantie in Frankrijk zal je ons nooit betrappen.
Corrie Huijer Ooltgensplaat 2007
 |