De leukste site van Goeree Overflakkee
Verhalen, Gedichten, Blog
Home
Gedichten
Verhalen
Uit de krant G.G.O
Zeuren?
Blog
Jan v Halst
Trage hersenactiviteit
Opwarming
Zeuren?

Hele aardige mensen
Jaren geleden bezorgde ik videofilms aan huis. Na een tijdje had ik heel wat vaste klanten. Het was heel leuk werk en ik ontmoette allerlei mensen, aardig, heel aardig en een heel enkele keer, niet zo aardig. De mensen waar dit waargebeurde stukje over gaat waren héél erg aardig. Ze hadden een restaurant,  dat op maandag gesloten was. Elke week stond de (gratis) koffie klaar en elke week was er iets lekkers bij. De twee dochters zaten op de ‘koksschool’ en ik was een dankbaar slachtoffer en proefde alles. Als het goed gelukt was, kreeg ik vaak een flink stuk taart mee naar huis. Soms was het baksel te hard of een beetje donker en omdat ik in die tijd ook regelmatig  gebak maakte, kon ik af en toe advies geven. Op de bewuste dag vroor het en stond er een snijdende wind, precies het goede weer voor een beker koffie en een lekker stuk taart.
 
Een perfect gelukte appelcake met warme vanillesaus werd er dit keer onder mijn neus geschoven, heerlijk. Ik nam mijn eerste hap en de oudste begon te vertellen:
‘Gelachen dat we vanmorgen hebben! Mijn zus had de cake in de oven gezet, maar het rook zo raar, net of er iets verbrandde! Wij kijken, maar er was niets te zien, al stonk het verschrikkelijk. Afijn, toen de cake klaar was zag hij er prima uit, maar we hebben tóch de oven maar schoongemaakt en dat was nodig ook.’
Mijn tweede hap bleef ergens in de lucht hangen, ik kreeg een vreemd voorgevoel en
zag in gedachten een heel vieze oven voor me. De meisjes vertelden gierend van het lachen verder:
‘We trokken de bodemplaat naar voren en toen zagen we waarom het zo stonk, er lag een nestje muizen onder, helemaal verbrand natuurlijk. Wel zielig hoor!’
Heel erg onder de indruk van het cremeren van de muizenfamilie waren ze niet, in ieder geval veel minder dan ik.

In gedachten zag ik de blauwe rook van de muizenlijkjes om de cake kringelen, en er zijn karakteristieke geur en smaak aan toevoegen. Daarna zag ik in een flits de zwarte botjes op mijn schoteltje liggen en ik was pas aan de tweede hap toe!
De vrolijk lachende familie at gewoon door en ik volgde bijna kotsend en met de allergrootste tegenzin. ik at zeg maar met muizenhapjes. Het laatste stuk taart kon ik met saus en al, in mijn pakje shag frommelen, toen ze alvast wat films uitzochten en er even niemand keek. Na de koffie dronk ik nog twee bekers water, maar de vieze smaak verdween niet meer. De week erop gooide ik mijn route zo om, dat ik pas na vijven bij hen aanbelde. Ook toen werd me weer van alles aangeboden, tot mee-eten toe, want ik zei al: Het waren héél aardige mensen, maar dat aanbod heb ik altijd vriendelijk afgeslagen. En een plakje cake? Nee, dank u.

Nachtmerrie

Dinsdagnacht werd ik rond vier uur, gillend wakker. Waar wás ik? De sussende stem van Jantje hielp me op weg, ik was thuis en had gedroomd. Gelukkig, het was niet echt, maar de volgende ochtend herinnerde me helaas de hele nachtmerrie weer:

‘Ik liep op de Spuidijk in de richting van de Kaai. Een oranje gloed schemerde al een hele tijd door de bladeren van de bomen vóór me. Nieuwsgierig geworden, liep ik wat vlugger door. Toen ik de laatste boom voorbij was, kreeg ik spontaan ademhalingsproblemen. Wat was dat nu? Pal voor het weeghuisje, stond iets wat ik niet thuis kon brengen. Groot, lelijk en oranje!

Toen ik verschrikt bleef staan voelde ik een troostende arm om me heen. (Jantje vangt me altijd op, als er wat is) Maar er was helemaal geen Jantje. Een rare man, fleemde: ‘Fijn he mevrouw? Dat doet de gemeente allemaal voor een schoner milieu, dus eigenlijk voor U. En geloof me, u bent het zó gewend! Ik keek naar het oranje ‘ding.’ Spontaan verlangde ik terug naar plastic flessen, tasjes en ander zwerfvuil in de bermen en op de straten.
Ik vond zelfs de opwarming wat minder erg.'
Alles was goed, maar dat oranje bakbeest was onverdragelijk.
Ik gilde van afgrijzing.

De volgende ochtend ging ik direct kijken of mijn nachtmerrie soms uitgekomen was.
Al gauw bereikte ik het enige mooie plekje dat Ooltgensplaat nog heeft, de Kaai. Met het weeghuisje, de bootjes en natuurlijk de blikvanger: het oude Raadhuis. Het was nog veel erger dan in mijn droom. Midden voor dat weeghuisje stond écht zo'n ‘Plastic Hero.’ Precies het zelfde kreng als in mijn droom.

Het ding was zo groot als een flinke gezinsauto en in een kleur die in de meeste landen verboden is wegens het spontaan ontstaan van oogletsel. Oranje in de aller, aller, allerlelijkste vorm, lichtgevend bijna. Mijn auto viel van schrik stil en was niet meer aan de praat te krijgen. Snikkend heb ik mijn karretje naar huis geduwd, dit kon toch niet waar zijn!

Woensdag zijn we er tijdens onze dagelijkse wandeling met afgewend hoofd, op onze tenen langs geslopen. Maar de thee smaakte me niet meer die middag. Donderdagmiddag liepen we alweer op de Kaai. Toen ik voorzichtig even door mijn vingers gluurde, ervoer ik een aangename verrassing. Het oranje monster was weg! Bij navraag vernam ik, dat na protesten van de bewoners, (van wie het mooie uitzicht compleet door de afvalbak was weggevallen) de bak was verwijderd.

Dat die bakken nodig zijn begrijp ik ook, maar een aangename kleur, of bloemetjesprint zou al helpen. Ondergronds is nóg beter, maar ze hoeven zeker niet op die paar mooie plekjes, de we in onze dorpjes nog over hebben, te staan. Als zo’n bak ook uw uitzicht verknalt: Protesteren dus, dat helpt!

Ooltgensplaat, Corrie Huijer, oktober 2009

Weg met die dierentuinen

Over een poosje word ik eenenzestig. Oud genoeg om eindelijk eens bekend te maken dat ik dierentuinen haat. We hebben ons vorig jaar nog één keer opgeofferd voor ons kleinkind. Het begon al met het gedrang om er in te mogen, want meest bezoek je zo’n park toch in de vakantietijd of in het weekend. Het was er net als vroeger, veel te druk, de auto stond bijna vijfhonderd meter van de ingang geparkeerd terwijl het park nog niet eens open was. Pas na een half uur stonden we voor het loket. Na het betalen van een astronomisch bedrag voor vier volwassenen en een kind, konden we onze, nu al vermoeide lijven door de klaphekjes wringen. De eerste honderd meter sjokten we moedeloos mee tussen tientallen bejaarden, die zó langzaam schuifelden dat ze bijna voorover vielen. Alleen met heel veel geluk bereikten we de eerste afslag, zonder dat er een paar wandelwagentjes, volgepropt met een kind, brood, eierkoeken, snoep
voor een heel weeshuis en blikjes limonade, tegen onze enkels waren gebotst. Hier werd het rustiger, er sloegen groepjes rechtsaf, die wilden eerst naar de olifanten. De liefhebbers van het zeeaquarium moesten rechtdoor. De reptielen zaten links van het pad. Wij sloegen rechtsaf.

 Achter wat magere struiken stonden een paar oude olifanten met hun kop te schudden. Om wat beweging in de dieren te krijgen, zette een verzorger de kraan open en spoot de beesten nat. Mijn kleinzoon genoot, ik dacht intussen met weemoed aan de prachtige documentaire op Discovery van een tijdje geleden, olifanten op z’n mooist, in hun eigen, natuurlijke omgeving. We sjokten over een bruggetje en voeren de karpers. Het meest zag ik er tegenop om naar de ijsberen te gaan, toch gingen we. Wat ik zag was voldoende om al mijn vooroordelen te blijven koesteren. In de brandende zon staarde ik een poosje naar de getergde dieren, waarvan de witte vacht gelig, dun en dof geworden was. Hun koppen schudden doelloos heen en weer. Pure stress. Het lauwe, vieze water gaf ook geen afkoeling. De steen waarop ze rusteloos heen en weer sjokten, lag te bakken in de zon. De natuurlijke omgeving van deze dieren is midden in de zomer bevroren, duizenden kilometers groot en op een erg warme dag is het daar hooguit vijf graden boven nul. Hier was het dertig graden in de schaduw. Welke gek verzon het om ze hier te brengen?

Het enige positieve bedacht ik, is dat hier bewezen werd dat ijsberen prima kunnen overleven als de Noorpool smelt en de opwarming doorzet.

 
De leeuwen hadden intussen meer ruimte dan vroeger. Gelukkig voor mij, sliepen ze in het hoge gras, alleen hun rug stak er een klein stukje bovenuit. Daar waren we snel uitgekeken. Bij de gorilla’s keek een broer van Bokito me dreigend strak aan, terwijl hij bewegingloos tegen een rotsblok aanhing. Zelfs op deze afstand was ik een beetje bang. Nu hoefden we alleen nog naar de ‘leuke’ apen in de binnenhokken en naar de giraffes, waar het zoals altijd, onverdraaglijk naar ranzige zeik stonk. Twee nijlpaarden lieten een puntje van hun neus zien terwijl ze een bad namen in een kuip die nauwelijks groot genoeg voor hen was. Zelfs mijn kleinzoon vond het er saai. Daarna was het de hoogste tijd voor een broodje en koffie. In de rieten stoel op het terras, genoot ik van het ‘even’ geen zielige dieren hoeven zien. Het zeeaquarium bewaarden we voor het laatst. Tot mijn aangename verrassing vond ik het geweldig! Het was prachtig! Op slag vergat ik alle vervelende dingen. Voor het eerst had ik niet met de bewoners te doen, we liepen er wel een half uur rond. Toen ik echter aan het eind van de glazen tunnel, ook weer in dat gloeiendhete zonlicht, drie suffe pinguïns naar een muurtje zag strompelen, wist ik het weer zeker; dit klopte niet.
 
Er gaan stemmen op om circusdieren te verbieden. Graag! Ook daar heb ik al tijden een rotgevoel over. Die arme, afgeleefde dieren die hun suffe kunstjes voor een gillend enthousiast publiek moeten doen en de rest van de dag in een kleine kooi doorbrengen, wachtend op een volgend optreden. Zijn jullie wel eens naar het Kerstcircus geweest? Met op het eind die superattractie? Die al grijs geworden leeuw van bijna honderd? Die bijna slapend op een krukje rondjes draait? Ter plekke besloot ik om daar nooit meer te komen. Ik vind het pure mishandeling om een dier in een hokje te stoppen voor ons vermaak. Eeuwenlang was er het excuus, dat wij en onze kinderen de dieren moesten leren kennen en van dichtbij moesten kunnen zien. Sommige dieren werden juist door de dierentuin voor uitsterven behoedt. Dat hoeft nu niet meer. Steeds meer wildparken en milieuorganisaties kunnen voor dieren de redding betekenen. Ook het toezicht en de afspraken om minder of niet meer te jagen op bedreigde soorten helpt. Toch sterven regelmatig bepaalde diersoorten uit. Puur natuur! Er sterven zelfs hele bevolkingsgroepen uit, of worden ermee bedreigd. Als het daar over gaat in het journaal, gaan we meest even koffie zetten.
Met dagelijks vele documentaires op de televisie en de verre reizen die kinderen soms al op jonge leeftijd maken, zien ze meer dan genoeg. En zelfs als we oud worden zonder een ijsbeer of giraffe te hebben ontmoet, is er niets aan de hand. Mijn schoonmoeder werd in goede gezondheid eenennegentig, zonder dat ze de Noordzee, veertig kilometer verderop, ooit had gezien.

Ooltgensplaat, Corrie Huijer, zomer 2009

 Eerlijk zeggen?

 
Meermalen heb ik, net als u, verzoekjes gekregen om iets te beoordelen. En de maker of maakster vroeg verwachtingsvol; wat vind jij hiervan? Tja, zeg dan maar eens plompverloren dat je het níet mooi of goed vind.
 
Ik reageer tegenwoordig (soms) heel voorzichtig. Mmmmm, tja, eventjes beter kijken hoor. Maar de creatieveling dringt meestal nogal aan. Zég het maar hoor! Ik wil écht je eerlijke mening! Liever nú dan straks achter m’n rug. (Dat had ik dan weer veel liever gedaan, maar je staat dáár.)
 
Jarenlang heb ik gedacht dat ik na zoveel aandringen, ook echt mijn eerlijke mening kon geven.
Niets is minder waar. Zodra het antwoord in negatieve zin afwijkt, kronkelt er een voelbare spanning om je heen.
 
Eerlijkheid werd me, als het niet vleiend was, geen enkele keer in dank afgenomen. Ook niet door degenen waarvan ik dacht; die wil écht een eerlijke reactie.
Probeer het maar eens uit. Zeg gewoon tegen iemand, nee, dit kan ik écht niet mooi vinden, of hoe kom je op dat rare idee?
Er komt altijd een zeer verwijtend verweer op gang:
    ‘Echt? oh, ja? Nou ja, zó gek is het toch niet? Zelf vind ik het niet onaardig eigenlijk. 
 
Op dat moment weet je, ik zit hartstikke fout.
Soms kan je dan nog wat verzachtende omstandigheden aanvoeren.
Ik heb er niet zo veel verstand van of een andere stomme smoes.
Maar een pas ontluikende vriendschap is naar de knoppen. Zelfs relaties die staan als een huis, gaan bij dit soort eerlijkheid, scheurtjes vertonen. Soms komen die pas na jaren aan het licht, maar het komt een keer op tafel!
Wat is nu wijsheid, nooit meer je eerlijke mening geven?
Het altijd mooi vinden?
Ik ben er nog niet uit. Ik wil ook wel eens lief gevonden worden, dus ik moet af en toe liegen tegenwoordig.
Erg he?

Ooltgensplaat, Corrie Huijer, winter 2007