Bladvulling
Mijn eerste herinneringen beginnen rond mijn derde verjaardag, het jaar dat ik naar de kleuterschool ging. Het zijn prettige herinneringen aan een zorgeloze jeugd. Mijn ouders waren niet streng, ze vonden alleen gehoorzaamheid erg belangrijk. Over lawaai, vuile kleren, door het ijs zakken of een kapotte broek maakten ze zich niet druk, dat was onbegonnen werk met zes kinderen. Mijn moeder, opgevoed door twee behoorlijk strenge, toen nog ongetrouwde tantes, had zich voorgenomen om haar eigen kinderen vrijer op te laten groeien. De tantes meenden het niet zo kwaad, maar wisten zich op jonge leeftijd waarschijnlijk geen raad met een tweejarig kleutertje zonder moeder. Hun strengheid kwam voort uit bezorgdheid en angst dat haar iets zou overkomen waarvan zij de schuld zouden krijgen. Vanaf mijn zevende mocht ik elke zomervakantie twee weken uit logeren bij een van die tantes.
Die vakanties speelden zich af op Rozenburg, waar mijn moeder me op de fiets heenbracht. Aan het stuur hing een forse tas met kleding, ik zat op een kussentje achterop en mijn voeten zaten in de fietstassen. Aan de rechterkant rolde er een fles limonade tegenaan die in een oude krant was gerold. Links moest ik mijn voet erg stil houden, daar lagen twee pakjes met
boterhammen voor onderweg. Tijdens het overvaren hing ik over de reling en keek naar de golven. Het flesje chocomel dat ik kreeg was een traktatie waar ik de hele reis met kleine slokjes van genoot.
We werden al bij het hekje hartelijk ontvangen. Tante, klein en gezet, droeg een donkergrijze jurk en ze rook zoals altijd naar geurige zeep toen ze ons begroette en kuste. Haar dunne, grijze haar zat in een knotje met een netje eromheen. ‘Zo astrant kind, ben je daar weer?, zei ze elk jaar opnieuw. ‘Ik geloof dat je nu al groter bent dan ik.’ Oom volgde aarzelend haar
voorbeeld. Omdat het vakantie was, droeg hij zijn oude ‘tuinhoedje’ en kleding, een grijs vestje met daaronder een wit overhemd met donkerblauwe streepjes. Ook zijn broek was donkerblauw en ik heb nooit begrepen hoe tante kon zien dat juist die broek en het overhemd oud waren. Ze waren allemaal even netjes en spiegelglad gestreken en geperst. Heel even haalde hij het stompje sigaar uit zijn mond en gaf me een kus, waarbij zijn snor vervelend in mijn wang prikte. ‘Ja, ja,’ zei hij bedachtzaam, ‘zo, zo, dus jullie zijn er weer, maar na de thee moet ik nog wel wat aan de tuin doen hoor.’
We werden naar de voorkamer gedirigeerd en kregen thee uit dunne, gebloemde kopjes. De bonbons waar ik zo dol op was, lagen op een zilveren schaaltje. We moesten vertellen over thuis en hoe het op school ging. Daarna werden we naar boven gestuurd om de tas uit te pakken en even te rusten.
Koken was het enige waar tante zich volgens mij mee bezighield, en hoe! Nergens
at ik lekkerder dan daar. Als we weer beneden kwamen, was er feestelijk gedekt,
Er stonden twee borden op elkaar en daarop lag een kunstig gevouwen servet. Mijn enige angst was, dat ik soep zou morsen op het vlekkeloze, damasten tafelkleed of op het gesteven servet, daarom veegde ik mijn mond steevast af aan mijn mouw. Oom dook na het eten,
zoals altijd in zijn boeken en bleef snuffelen en schrijven tot het bedtijd las. Tante vertelde intussen hoe ontdeugend mijn moeder vroeger was en dat ze ’s avonds sokken moest leren breien en daarover zo mopperde. Die schudde van het lachen en zei dat het allemaal wel meeviel. We lazen boven de huisregels door, die oom in een pietepeuterig handschrift had samengesteld en op mijn hoofdkussen had gelegd. Daarna doken we samen in het oude tweepersoonsbed met lakens die kraakten van het stijfsel. Na het ontbijt fietste moeder weer naar huis, maar niet nadat ze een paar keer had geroepen: 'Zoet zijn hè?'
Oom en Tante waren al oud en kinderloos en oom was onderwijzer op de lagere school in het dorp. Ze waren erg op hun rust en ordentelijke leventje gesteld. In en om het grote huis was het vlekkeloos schoon en netjes. Voor een druk kind als ik was dit eigenlijk de verkeerde plek, maar het weg van huis zijn, de verwennerijtjes en het nieuwe, maakten dat ik elk jaar opnieuw graag naar hen toe ging. Alle zakgeld dat ik van broers, zussen, ooms en tantes had meegekregen, soms wel vijf gulden, moest ik inleveren. Wat er aan het eind van de vakantie over was gebleven werd verdubbeld door oom en tante voor de spaarpot. Zo hoopten ze een spaarzaam burger van mij te maken. Als ik me héél goed gedragen had, mocht ik af en toe iets kopen, meestal van geld dat tante me dan toestopte, zo bleef mijn kapitaal in stand.
De ‘huisregels,’ lagen op het nachtkastje, dan kon ik ze af en toe nog eens doorlezen: Met twee woorden spreken. Niet hard lopen, niet gillen, niet tegenspreken, niet met de deuren slaan, niet stampen op de trap, geen kleren vuilmaken, op tijd voor het eten zijn, handen wassen, tegen iedereen u zeggen, het hek zachtjes sluiten, niet luidruchtig ‘hoi’ roepen naar iedereen. Geen dialect spreken als er visite is, enz.
De meeste regels vergat ik, of lapte ze aan mijn laars. Elke overtreding betekende een strafpunt en dan ging er vijftig cent van mijn vakantiegeld af. Ik overtrad regelmatig de regels en soms was ik na drie dagen al door mijn zakgeld heen. Dan gooide ik extra hard het hekje dicht, of stampvoette op de trap, alles was nu toch al verloren. Aan het eind van de vakantie ging ik dan wel met tien hele guldens naar huis, waar ze helaas écht in mijn spaarpot terechtkwamen.
Op een middag verveelde ik me weer eens. In dit deel van het dorp woonden alleen maar oudere mensen. Ik was al bij de buurtjes op bezoek geweest, twee bejaarde zussen waarvan er een chronisch ziek was. Het stonk er naar medicijnen en lysol, ik werd altijd een beetje misselijk in dat donkere voorkamertje, maar ze waren zo aardig. Zij vonden het juist prachtig als ik dialect sprak en ik kreeg steevast een reep chocolade, het teken dat het bezoekmoment weer voorbij was. Zelfs ik zag dat de zieke zus moe werd, dus na tien minuten verdween ik opgelucht weer naar buiten. Tante sliep zoals elke middag tot zeker half vier. Oom zat in zijn boeken gedoken en leek niet meer van mijn bestaan op de hoogte. Van niemands bestaan, denk ik nu wel eens.
Op mijn gemak slenterde ik daarom naar het pontje richting Maasluis. Dat deed ik wel vaker, ook ’s avonds als we gingen wandelen of fietsen, kwamen we er regelmatig. Het was een heel eind lopen. Wonder boven wonder had ik nog geen enkel strafpunt gekregen die week en tante had me daarom blij verrast, een gulden toegestopt. Het was er zoals altijd druk met fietsers en voetgangers. Auto’s reden af en aan. Ze brachten mensen bij het pontje of haalden ze op. Zeker een half uur keek ik naar de voorbijvarende schepen, soms sloegen de golven op de kant en werd ik nat van de spetters. Het rook er naar de zee, olie en diesel, ik genoot met volle teugen. Na een poosje bedacht ik dat ik best een keer wilde overvaren. Met oom en tante was ik al vaker op het pontje geweest. Een enkeltje kostte zes cent en een ijsje twintig. Overmoedig kocht ik zes retourtjes tegelijk. De matroos die kaartjes verkocht vroeg een beetje ongerust: ‘Mag dat wel?”
Zonder zelfs met mijn ogen te knipperen zei ik: "Ja, het mag van mijn tante, want ik verveel me zo.' Toen hij ook nog uitgevist had, dat oom schoolmeester was in het dorp, vertrouwde hij het blijkbaar. Hij protesteerde niet verder. Ruim twee uur voer ik heen en weer en hing over de reling waarbij ik probeerde te bedenken waar alle golven bleven. Ik mocht in de stuurhut kijken en kletste met de kapitein. Een paar keer bleef ik op de kade van Maassluis wachten op het volgende pontje. Dan voelde ik me een echte wereldreizigster en keek zo zelfverzekerd mogelijk om me heen, al was ik opgelucht als het bootje weer aanlegde. Als iedereen weer van boord was riep de kapitein: “Zo, zussie, ga je weer mee?'
Mijn zondagse jurk en schoenen zagen aan het eind van de middag pikzwart, net als mijn handen. De rest van de vakantie zou ik vast geen cent meer te zien krijgen bedacht ik op de terugweg, maar dat deerde me niet. Ver na etenstijd sloop ik binnen. Oom en tante waren erg ongerust geworden en spraken die avond nauwelijks met me. Er ging een door tante volgeschreven briefkaart met klachten naar huis, die ik zelf moest posten. Onderweg kon ik dan nog eens over mijn ongehoorzaamheid nadenken zeiden ze. Al lopend las ik over
hun verbijstering. Een kind dat de hele middag tussen het manvolk, op een veerpontje zat! Hoe bestond het! Ik was toch wel erg astrant, en zo wild, mijn jurk zou nooit meer schoon worden, al zou het dienstmeisje het de volgende dag nog met boter proberen. Erg ongerust over mijn moeders reactie maakte ik me niet. Ik kreeg huisarrest, maar niet lang. Na duizend keer vragen: ‘Wat zal ik nu eens gaan doen?’ en voortdurend heen en weer rennen door het hele huis, begrepen ze dat zo’n drukteschopper beter buiten kon spelen.
Zoals elke avond moest ik om half acht naar bed, maar niet nadat ik grondig schoongeschrobd was in een grote zinken teil. Daarna dronken we thee in de voorkamer. De mensjes waren allang niet boos meer en tante kuste me vriendelijk welterusten, maar haar hoofd schudde nog steeds heen en weer van verbazing. Heel erg was het niet eens om zo vroeg naar bed te moeten. Op de grote zolder lagen tientallen oude schoolboekjes en leesboekjes. Ze waren wel vijftig jaar oud, oom had overal zijn naam en de datum opgeschreven. Dat deed hij bij alle dingen had ik ontdekt. Aan de onderkant van heel veel voorwerpen zat een pleistertje met de aankoopdatum en de prijs. Het verhaal over Piet den
smeerpoets las ik wel tien keer. Dat was net als ik, een kind dat niet steeds gewassen wilde worden. En zijn nagels waren zo lang! Ook Henkie Haas, die op een mooie dag in het bos liep, boeide me. Als een hoofdstuk in de schoolboekjes alf in een pagina ophield, stond er een kort gedichtje of een gezegde onder.
Tot mijn verbazing heetten al die stukjes: ‘Bladvulling.’ Het heeft jaren geduurd eer ik het begreep. Het was bladvulling, omdat een halflege pagina, verspilling zou zijn geweest. Pas als mijn ogen brandden van de slaap, deed ik het licht uit en sliep een gat in de dag.
Aan de logeerpartijtjes kwam twee jaar later een onverwacht einde. Op een dag ontdekten ze dat mijn schoenen helemaal onder de modder zaten. Op tantes vraag of ik weer bij de sloot had gespeeld, antwoordde ik brutaal: ‘Ja.’ Na een stevig standje en een toezegging van drie strafpunten daarvoor zei ik boos: 'Jullie zijn veel te oud en te streng, dit is niet normaal! Jullie blijven van mijn geld af! Ik werd direct na de boterham naar boven gestuurd. Woedend liep ik over de zolder heen en weer en bedacht hoe ik uit deze gevangenis kon komen. Na een poosje scheurde ik een lege pagina uit een van de boekjes en schreef: Haal me hier weg, ik wil direct naar huis! Ik verveel me hier, het is helemaal niet leuk.
Zo hard ik kon stampte ik daarna op elke trede bij het naar beneden gaan en zocht in het bureau naar een postzegel en een envelop. Oom keek op van zijn boekhouding en zijn ogen dwaalden van mij naar het stukje papier dat ik even op tafel gelegd had. Langzaam stond hij op en begon het te lezen terwijl ik me nauwelijks meer durfde bewegen. Diep teleurgesteld en bedroefd keek hij me een poosje aan maar zei geen woord. Liefst was ik op dat moment door de grond gezakt, zeker toen tante er bij kwam en met een klein zakdoekje voortdurend over haar ogen wreef. Ik kreeg een postzegel en een envelop en mocht de brief zelf posten. Twee dagen later kwam moeder me ophalen. Ze zei me dat ik het te gek had gemaakt en dat begreep ik zelf ook wel. Dit hadden oom en tante echt niet verdiend. Heel veel later, toen mijn kinderen groter werden, begreep ik pas dat ze het niet zo kwaad bedoelden. Ze meenden het echt goed met me.

