Goeree Overflakkee, Zwitserland, verhalen, foto's en gedichten

Bep-web.nl

Hotel op stelten

Wij bespreken zelden van tevoren een vakantie, als het goed weer is gaan we gewoon rijden en we zien wel. Meestal eindigen we in Zwitserland, maar af en toe ook in Oostenrijk, of we blijven bij onze oosterburen hangen.    De jaren dat we samen gingen hebben we vaak rondgereisd. Waar het ons goed beviel bleven we een poosje, en anders reden we de volgende dag weer een stukje verder. Op deze manier hebben we intussen in wel vijftig verschillende hotels geslapen. We zijn 'kenners' geworden.

  Een enkele keer pakte het wat anders uit dan we gewend waren. Zo ook toen we bij ons eerste bezoek aan Oostenrijk op een snikhete zondagochtend in een file terecht kwamen. We gingen bij Fussen de grens over, volgens kenners, waar we later ons beklag deden, het domste wat we konden doen. Net over de grens stonden we ruim twee uren stil in de brandende zon. Daarna reden we nog een uur stapvoets en bereikten het kruispunt naar de Fernpass-Bundesstrasse, wie kent het niet. Het duurde allemaal lang genoeg voor mij om het land in alle toonaarden te verwensen. Bij de eerst afslag riep ik:    'Weg uit dit pokkeland, we gaan naar Zwitserland, rechtsaf!' We kwamen in het Lechtal en reden smalend om ons heen kijkend en scheldend op alles wat Oostenrijks was, naar ons geliefde Zwitserland, waar nooit files zijn. Alleen, we hadden er geen erg in hoe laat het al was. Na ruim drie uren bereikten we de grens. We reden door een nogal woeste, verlaten streek. Het begon al te schemeren en we hadden zin in koffie en een slaapplaats.

  Het was dan ook een hele opluchting toen we tegen tien uur een dorpje met een hotel bereikten. Het was een plaatje. Een hotelletje om te zoenen. Het had torentjes met een klein balkonnetje op elke hoek. Het was helder wit geverfd en had een groen koperen dak. We keken elkaar triomfantelijk aan, tóch weer gelukt. Binnen bleek het wat minder, maar we hadden geen keus meer. Een smoezelig bruin café met al behoorlijk beschonken gasten, de drank- en sigarettenlucht benam ons de adem bijna. We dronken er eerst koffie want eten leek ons na even rondkijken geen optie, alles was smoezelig. Om niet al te veel op te vallen bestelde Jan nog een pilsje en een limo, samen met twee mars voor op de kamer. We knikten vriendelijk naar de aanwezigen. Maar die bekeken ons achterdochtig. Het waren stuk voor stuk zweterige en lawaaierige zuiplappen. Geen knikje of lachje kregen we terug. Opgelucht dat we er vandaan konden, gingen we even later naar onze kamer. Morgen zouden we verder rijden, we hadden in ieder geval een slaapplaats.

Het bed was schoon, kraakhelder zelfs. Maar de rest was ongelooflijk vies. Bruine randen in de wasbak en het putje vol met haar. Ook een douchevloer waarop ik niet met blote voeten durfde staan. Toen we het raam probeerden te openen brak de kruk af. Het hout was verveloos en totaal verrot. De rollen met spinrag kwamen de kamer inzakken. De deur naar het liefelijke balkonnetje stond een klein stukje open. Ik wilde er direct naar toe, maar precies op tijd greep Jan me bij mijn bloes. Het totaal vergane vloertje ervan, had mijn gewicht nooit kunnen dragen.  

Rond drie uur die nacht verliet de laatste zingende en lallende dronkelap het café. Maar de waard en de waardin zetten een, al uren durende ruzie voort in de slaapkamer naast ons. Zelfs een kussen op ons hoofd hield het lawaai niet tegen. Tegen vier uur was ik zo moe en boos, dat ik alle remmingen verloor. Ik stormde naar hun kamer, bonsde op de deur en krijste:    ‘KOPPEN DICHT, OF ER VALLEN KLAPPEN!’ Trillend van de zenuwen en woede bleef ik staan, wat zou er nú gebeuren? Niets, helemaal niets, het werd doodstil op die kamer. Ik sloop proestend terug naar onze kamer. Jan lachte zich krom en adviseerde me om een stoel onder de deurkruk te zetten. De waard zou strakjes waarschijnlijk onze kelen komen afsnijden. Ik schoof voor alle veiligheid ook het nachtkastje nog voor de deur. Daarna vielen we uiteindelijk in slaap, maar rond half acht waren we alweer beneden voor het ontbijt.
Onze ogen waren roodomrand van vermoeidheid, maar dat gaf niet, we wilden dit spookhotel zo snel mogelijk verlaten. De waardin sprak geen woord met ons. Zelfs geen goeie morgen kon eraf. Ze pakte haar fiets en reed naar de bakker. We zagen haar ongewassen, met grijs gebreide sokken en klompen aan, voorbij rijden. Na een half uurtje kregen we een blokje kaas, inderhaast van hun smoezelige privé stukje afgesneden, de jamsporen zaten er nog aan. De kuipjes boter waren meer dan een jaar over de datum. Ook kregen we een potje koffie en twee verse broodjes. Volgens Jan waarschijnlijk met een flinke dosis gif erin. We aten giechelend en zenuwachtig ons ontbijtje, en hoopten dat we ons paspoort nog terug zouden krijgen. Hier kon je waarschijnlijk alles verwachten.

 In het gastenboek zagen we dat we de eerste gasten in bijna drie jaar waren. Niet zo vreemd, gezien onze ervaringen. In de auto slapen was vast en zeker héél wat prettiger geweest dan dit. Maar het paspoort kwam in goede staat terug, de prijs van de kamer was echter lachwekkend hoog. Die had het ellendige wijf bijna verdubbeld. Ze keek ons uitdagend aan toen ze het kladje met de onkosten voor onze neuzen hield. We betaalden echter zonder morren en liepen blij dat we nog leefden, naar de auto. Op ons wat te joviale 'auf Wiedersehen,' kregen we geen antwoord. We zijn nog heel vaak in Zwitserland geweest, maar nooit meer in de buurt van dat dorpje.