Goeree Overflakkee, Zwitserland, verhalen, foto's en gedichten

Bep-web.nl

 

Zeven was ik, en…
Het was een scharminkeltje, een vale lapjeskat van een week oud. De zak waar in ze met haar broertjes verdronken zou worden, stond al klaar. De stenen die in de zak moesten ook, ik was maar net op tijd.

De andere katjes waren zwart en donzig, maar deze keek het bangst. Ik was verloren toen ze haar nageltjes in mijn trui klauwde. Moeder zei toen ik thuiskwam: ‘Dat was zeker de leste koek uut de pot?’ Ze draaide het katje geroutineerd om en zei; ‘had mar ‘n kaeter uutgezocht, noe zitten me zelf zo, mit een huus vol katten.’
Het klopte, mijn kat kreeg twee keer per jaar jonkies, die ik op het dorp uitleurde, om ze van de verdrinkingsdood te redden. Na twee jaar mocht ik één van haar kinderen houden, een grijs katertje. Mijn vruchtbare moederpoes ging naar iemand met een grote boerderij. Ik gaf het katertje aan mijn zus, het zou tussen ons tóch niets meer worden.

Acht was ik, en…
De tweede verliefdheid overkwam  me zomaar. Die zomer logeerde ik op hetzelfde adres als Joost. Hij was al negen. Op een dag liep ik de trap af, toen hij me zomaar kuste. Daarna rende hij naar boven. Wel vijf minuten stond ik zenuwachtig aan mijn wang te voelen. Die kus was vast niet voor mij bedoeld. De dagen erop stond ik vaak en onnodig op de trap, het hielp want een paar dagen later gebeurde het weer. Hij knipoogde er zelfs bij. Ik zweefde de rest van de week en droomde van hem, maar op een ochtend was hij verdwenen. Ik heb hem nooit meer gezien.

Negen was ik, en…
De derde verliefdheid was voor eeuwig, dacht ik. Als de meester vertelde, hing ik aan zijn lippen. Ik hoorde er geen woord van, maar staarde naar zijn rossige krullen en blauwe ogen en wilde met hem trouwen. Vrijwillig maakte ik elke dag, na half vier het schoolbord schoon en ruimde de klas op. Toen ik hem samen met zijn knappe vrouw tegenkwam, was het in één klap over. Hij had ook heel rare knieën en barste van de sproeten, zag ik plotseling.

Dertien was ik, en…
Mijn vierde liefde herkende ik niet direct. Het was die jongen die steeds door onze straat reed. Hij scheurde op zijn opgevoerde brommer vlak langs me heen. Hij deed stoer met andere meiden als ik een vriendje had. Later viel hij me wél op, en we trouwden. We kregen kinderen en waren behoorlijk gelukkig. Heel af en toe zelfs bijzonder gelukkig. En dat was goed zo, want ruim veertig jaar extreem gelukkig zijn, houdt geen sterveling vol.

In tijden met tegenslag, kwamen we er met veel praten, altijd weer uit. Nu zien we elkaar na al die jaren aftakelen. Soms lachen we er om, samen, in ons blootje voor de spiegel. Dat is echte liefde denk ik, al praten we daar niet zoveel over.